Het was een hele harde week voor me.
We waren erg gelimiteerd in onze tijd in ons eigen gebied. We moesten dus keihard werken om iedereen te kunnen zien die we wouden zien. Het was zo ongeloofelijk vermoeiend.
Elke avond plofte ik uitgeput op me bed neer. Ik had zo'n grote hoop voor onze onderzoekers, vooral boy en anniesa, en toshia.
Ik was er zeker van dat ze weer naar de kerk zouden komen, dat we hun hadden geholpen om genoeg geloof te hebben en al hun bezwaren hadden verholpen. Maar blijkbaar op zondagmorgen was hun vastberadenheid van de vorige dag verdwenen.
Het regende, maar voor boy and anice hadden we zelfs leden geregeld die hun in de auto op kwamen halen, toch waren ze niet gereed.
Eenmaal thuis was ik enorm bedroef, omdat ik zoveel van ze hou, en zoveel om ze geef, omdat ik weet wat het evangelie voor hun en hun famillies kan doen, maar ze willen het nog niet zien.
Meer dan ooit realizeerde ik me dat van deze week af aan ik niet meer de vrucht van mijn arbeid zal kunnen zien. Wat me diep pijn doet is dat we niet voor eeuwig met ze kunnen blijven werken. Ze hebben allemaal zeker vruchten van bekering getoond, in hun schiftstudie en persoonlijke leven, zelfs met naar de kerk komen. Maar het bleef hangen bij enkele keren. Ik weet niet wat ik nog meer kan doen, ze hebben zelf ook hun keuze vrijheid.
Er zijn andere onderzoekers, hele goede zelfs. Tranen schoten in mijn ogen toen we een nieuwe famillie onderwezen, en ik realizeerde me dat ik waarschijnlijk nooit zal weten wat er met ze zal gebeuren. We zullen met ze werken, zo hard als we kunnen, en met alle andere. Onze doelen liggen voor ons, en ik zal niet opgeven. Ik zal blijven werken tot het einde is gekomen. En ik zal geen van ze ooit vergeten.